Posts tonen met het label Brussel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brussel. Alle posts tonen

woensdag 22 september 2010

Wat verraden de brieven van D.U.A.? (3) – Een enorm risico

De brieven van de mysterieuze D.U.A., wellicht Arsène Goedertier, behoren tot de weinige betrouwbare getuigenissen in deze zaak. Maar verraden ze ook iets over de afperser? Met de derde brief neemt D.U.A. een enorm risico.

Monseigneur,

Wij hebben kennis genomen van uw antwoord in de krant van 25 mei en nemen goed nota van uw verplichtingen. Kom ze nauwgezet na en wij zullen de onze nakomen.

Gelieve hierbij ingesloten het ontvangstbewijs te vinden van het depot van de Sint-Jan, waar het tot uw beschikking blijft.

Binnen drie dagen zullen wij u het adres geven van de persoon waaraan u het pakje dat onze commissie bevat, zult moeten overhandigen, overeenkomstig met onze vorige aanwijzingen.

Gelieve het nodige te doen opdat het verzegelde pakje onmiddellijk aan de aangeduide persoon wordt overgebracht.

Vanaf het moment dat wij de biljetten zullen hebben gewisseld, zullen wij u aanduiden waar u de R.R. zult vinden en de zaak zal gesloten zijn.

Om alle moeilijkheden te vermijden verplichten wij u het stilzwijgen te bewaren over de teruggave van de S.J.

Gelieve, Monseigneur, de verzekering van onze bijzondere hoogachting te aanvaarden.

D.U.A.

Eindelijk komt er schot in de zaak. In La Dernière Heure van 25 en 26 mei liet het gerecht, dat zich als de bisschop voordeed, weten akkoord te gaan met de voorwaarden van D.U.A. Drie dagen later, op 28 mei, toch al ruim anderhalve maand na de diefstal, wordt in Brussel het antwoord van D.U.A. afgestempeld.

Dat dit opnieuw in Brussel gebeurt, is geen toeval, blijkt uit de inhoud van de envelop. Bij de brief zit een biljet van het bagagedepot van het Noordstation in Brussel. Daar zal de bisschop het paneel Johannes de Doper vinden. Het biljet dateert eveneens van 28 mei. Volgens de stempel heeft iemand daar die dag om 8 uur 's morgens een pak afgegeven.

D.U.A. neemt hier een enorm risico door de brief zo kort nadien te versturen. Meteen na ontvangst van de brief kan men het stationspersoneel namelijk vragen hoe de persoon eruit zag die het pak heeft afgegeven. Ofwel is D.U.A. zich niet van dit risico bewust en dan is hij naïef. Ofwel is hij er zich wel van bewust, en dan kan dit drie zaken betekenen. Eén, D.U.A. is bereid het risico te nemen, hij gelooft in zijn kansen. Twee, D.U.A. heeft er op de een of andere manier voor gezorgd dat een eventuele herkenning door het stationspersoneel niet naar hem leidt. Of drie, D.U.A. vertrouwt op het woord van de bisschop en gaat ervan uit dat alle opsporingen gestaakt zijn – wat ook als naïviteit kan worden bestempeld.

Dat er schot in de zaak komt, blijkt ook uit de lengte van de derde brief: nauwelijks acht zinnen. Wat een contrast met de eerste twee brieven, waar soms meer een redenaar dan een afperser aan het woord was. D.U.A. heeft het akkoord van de bisschop op zak en vindt het niet meer nodig om met behulp van gezwollen frasen op Coppieters in te praten.

D.U.A. lijkt zelfs zo overtuigd van de medewerking van de bisschop dat hij alle dreigementen achterwege laat. Geen spoor meer van de "automatische vernietiging" bij een weigering, van de "afgesneden stukken" van Johannes de Doper, van het met de dag groeiende gevaar op "beschadiging", van de "verschrikkelijke mogelijkheden" die zich aandienen omdat slechts één persoon weet waar De Rechtvaardige Rechters zich bevindt, van de mensenlevens die in gevaar komen als iets uitlekt over de onderhandelingen. We zagen in de tweede brief al dat D.U.A. niet echt lijkt te durven en hooguit fluwelen duimschroeven bovenhaalt, hier zijn de duimschroeven helemaal verdwenen en blijft alleen het fluweel nog over.

Alleen in de tweede zin verwijst D.U.A. heel even naar die dreigementen, maar zeer onrechtstreeks: kom uw verplichtingen na en wij zullen de onze nakomen. Op het eind wijst hij de bisschop nog even op de "verplichting" om de onderhandelingen geheim te houden maar dat is alleen maar "om alle moeilijkheden te vermijden" – in de vorige brief hingen er nog mensenlevens van af als iets uitlekte!

Zonder al die dreigementen valt het commerciële taalgebruik die we in de vorige brieven al zagen, des te meer op: beide partijen moeten hun verplichtingen nakomen, Johannes de Doper komt in het Noordstation "ter beschikking" van de bisschop (net zoals D.U.A. in de eerste brief de twee gestolen panelen "ter beschikking" had), het losgeld wordt andermaal verbloemd tot "commissie", en na teruggave van De Rechtvaardige Rechters zal "de zaak gesloten zijn".

Zakelijkheid, efficiëntie troef in deze brief. Alleen lijkt het dan vreemd dat D.U.A. nog niet meteen het adres van tussenpersoon noemt. Weer een tussenstap. Het getuigt opnieuw niet van een stevige organisatie.

De derde brief bevestigt nog iets interessants over de bergplaats van De Rechtvaardige Rechters. Net zoals in de eerste brief kondigt D.U.A. aan dat hij na het incasseren van zijn losgeld de plaats zal aanduiden en dat de bisschop het paneel daar zal vinden (in de eerste brief: "zou kunnen terugnemen") – de bewoordingen in beide brieven zijn bijna identiek. Het versterkt de indruk dat paneel van De Rechtvaardige Rechters zich op het moment dat hij de brieven schrijft, al in zijn bergplaats bevindt.

Sinds 8 september 2010 leggen we enkele maanden lang de afpersingsbrieven van D.U.A. onder de loep. Het volgende bericht verschijnt op 6 oktober 2010.

woensdag 15 september 2010

Wat verraden de brieven van D.U.A. (2) – De duimschroeven

De brieven van de mysterieuze D.U.A., wellicht Arsène Goedertier, behoren tot de weinige betrouwbare getuigenissen in deze zaak. Maar verraden ze ook iets over de afperser? In de tweede brief draait D.U.A. de bisschop fluwelen duimschroeven aan. (Onderaan vindt u de volledige versie van de brief.)

Op de eerste brief van D.U.A. hadden bisschop en gerecht afwijzend gereageerd. "D.U.A. voorstel overdreven", hadden ze in La Dernière Heure van 14 en 15 mei 1934 laten publiceren, verborgen tussen de zoekertjes. Enkele dagen later, op 19 mei, arriveert de tweede brief. Die was nu afgestempeld in Brussel. Antwerpen, Brussel: D.U.A. is duidelijk een mobiel persoon.

De bisschop krijgt nog vijf dagen om te antwoorden (al vergeet D.U.A. het woord "réponse" te schrijven, een fout in een toch wel heel belangrijke zin). Als hij dan niet op zijn eisen ingaat, zal D.U.A. hem "enkele afgesneden stukken" van Johannes de Doper toesturen. Over het losgeld valt niet te onderhandelen. En geheimhouding blijft cruciaal. Haast blijft geboden want "elke gepasseerde dag [vermindert] de middelen om de voorwerpen te conserveren." Op een tweede blad kent D.U.A. de bisschop een commissie van 5 procent toe.

Het valt meteen op dat D.U.A. dezelfde plechtige, beleefde toon uit de eerste brief aanhoudt, ondanks de weigering van de bisschop. De gezwollen frases zijn niet te stelpen, de tweede brief is bijna even lang als de vorige.

Maar de inhoud wordt venijniger. D.U.A. draait de duimschrijven aan. Hij dreigt Johannes de Doper te verminken. In de eerste brief kreeg de bisschop nog twee weken, nu nog maar vijf dagen – het geduld raakt op. Opvallend: het is Johannes de Doper waarvan hij stukken wil snijden, niet De Rechtvaardige Rechters. Misschien omdat hij wil beginnen met het volgens hem minst waardevolle paneel (zie eerste brief). Maar het is ook mogelijk dat hij op dat moment niet meer bij De Rechtvaardige Rechters kan, en na die fameuze zin in de eerste brief (dat "de plaats waar het kostbaarste van de twee werken rust, inderdaad slechts door EEN persoon gekend is") is dat niet onwaarschijnlijk.

In de eerste brief waren de dreigementen nog vaag, nu is D.U.A. zeer concreet. Maar hij wacht met de duimschroeven tot het einde: net zoals in de vorige brief wil hij blijkbaar eerst op de bisschop inpraten en denkt hij dan pas aan dreigen. In begin van de brief dreigt hij wel even, maar in bedekte termen: elke dag uitstel "[vermindert] de middelen om de voorwerpen te conserveren". Dat is een echo van de voorlaatste paragraaf uit de eerste brief ("elke verloren dag verhoogt het gevaar op beschadiging van de schilderijen"). Opnieuw bouwt D.U.A. een tussenstap in: de beschadiging gebeurt niet automatisch, alleen het gevaar verhoogt, de middelen om het gevaar te bezweren verminderen. Het is hier wel iets actiever geformuleerd: iemand heeft voorlopig nog de middelen om De Rechtvaardige Rechters te vrijwaren.

In de vorige brief formuleerde D.U.A. drie dreigementen, nu voegt hij daar een vierde aan toe. Als iets uitlekt over de onderhandelingen "[kunnen] mensenlevens ervan afhangen." Een verwijzing naar de "verschrikkelijke mogelijkheden" als gevolg van het feit dat slechts één persoon de bergplaats van De Rechtvaardige Rechters kent? D.U.A. is hier in elk geval zeer concreet: er dreigt levensgevaar voor een of meerdere personen. Maar tegelijk is hij zeer vaag: hoe kan het uitlekken van de onderhandelingen leiden tot de dood van iemand? En weer die tussenstap. Hij schrijft niet: er hangen mensenlevens van af. Wel: er kunnen mensenlevens van afhangen.

Een van de meest frapperende zaken in deze tweede brief vind ik iets wat lijkt te ontbreken. Het grote dreigement in de eerste brief – hij begint er zelfs mee – is dat slechts één persoon de bergplaats van De Rechtvaardige Rechters kent ("Daar heeft u de enige zaak die u moet interesseren, want ze draagt verschrikkelijke mogelijkheden in zich.") In de tweede brief geen enkel spoor van dat dreigement.

De duimschroeven maken indruk. Maar wie goed leest, ziet dat D.U.A. zijn eigen positie ondergraaft en zich al meteen in allerlei bochten te gaan wringen: hij probeert het njet van de bisschop te omzeilen door te zeggen dat het niet duidelijk genoeg is. Welk voorstel vindt de bisschop overdreven: het losgeld of de seponering? Alsof D.U.A. de bisschop meteen het voordeel van de twijfel wil geven en de uitvoering van de dreigementen uit de vorige brief nog even op zak houdt. Alsof hij niet durft te doen waarmee hij dreigt. De "automatische vernietiging" bij weigering door de bisschop is hier veraf. De tussenstappen waar we het daarnet over hadden, wijzen ook in die richting. De duimschroeven zijn met fluweel bekleed.

D.U.A. zet het commerciële taalgebruik uit de eerste brief verder. Daarin suggereerde hij al dat hij geen dief was en eiste hij niet de betaling van 1 miljoen. Nee, D.U.A. "beschikte" enkel over de panelen en hij vroeg om een "gratificatie", een bonus, een beloning, van 1 miljoen "ter beschikking te stellen" na "aflevering" van het eerste paneel. Hier zegt met zoveel woorden dat hij de afpersing "bijna als een commerciële zaak" behandelt", rekent hij de bisschop voor dat de "commissie" slechts 5 procent bedraagt van de werkelijke waarde van elk van de panelen afzonderlijk (hier spreekt D.U.A. zichzelf even tegen want volgens de eerste brief is De Rechtvaardige Rechters kostbaarder dan Johannes de Doper) en kent hij de bisschop zelfs een "bonus", een "commissie" van 5 procent toe. D.U.A. stipt even aan dat de gestolen panelen "inderdaad aan derden toebehoren." Men ging er toen van uit dat de panelen eigendom waren van de Belgische staat, al bestond daar discussie over. De onderliggende gedachte lijkt hier: wij zijn beiden geen eigenaar van de panelen, we hebben beiden recht op een commissie van 5 procent voor ons aandeel in de zaak.

Dat commerciële taalgebruik kan wijzen op cynisme bij D.U.A. Maar het past evengoed in de ontwijkende manoeuvres die D.U.A. voortdurend uitvoert. De afperser durft niet te zeggen waar het op staat. We zagen in dat verband al de gezwollen frases, het uitstel van de dreigementen tot het einde van de brief, de formulering met tussenstappen en het voordeel van de twijfel die hij de bisschop gunt. Zelfs de meest dreigende zin, die over de afgesneden stukken van Johannes de Doper, heeft veel weg van een hink-stap-sprong: "zullen wij ons verplicht zien", "ten einde (u) aan te zetten tot de oplossing", "wij zullen nadien zien of er aanleiding is om in die zin voort te gaan."

D.U.A. noemt de diefstal van de Lam Godspanelen "de grootste zaak die bekend is in dit genre." Dit kan bedoeld zijn om de bisschop nog meer onder druk te zetten: de zaak krijgt ruime aandacht in binnen- en buitenlandse kranten, als de bisschop niet ingaat op de eisen, zullen de kranten hem aan de schandpaal nagelen (zie brief 1: "We weten al te goed dat de artistieke en wetenschappelijke wereld zich zou oprichten van verontwaardiging.") Maar met zo'n omschrijving zet D.U.A. natuurlijk ook een flinke pluim op zijn eigen hoed.

Tot slot nog een interessant detail in de tweede zin: "U zult zeker voorzien hebben dat…" D.U.A. is overtuigd van de intelligentie van de bisschop ("komaan, monseigneur, een verstandig man als u weet toch dat…"). Hij klinkt zelfs zeer overtuigd, iets verderop heeft hij "de vaste overtuiging dat u ertoe zult worden gebracht onze voorwaarden integraal te aanvaarden." In de eerste brief had hij ook al zoiets gezegd: "Als u onze voorwaarden aanvaardt, iets waaraan we niet willen twijfelen (…)." Kent hij de bisschop dan persoonlijk?

Monseigneur,

Wij hebben zopas kennis genomen van uw antwoord via de krant. U zult zeker voorzien hebben dat het ons slechts weinig dichter bij de oplossing zou brengen, helemaal uit het oog verliezend dat elke gepasseerde dag de middelen vermindert om de voorwerpen te conserveren.

De voorgestelde voorwaarden bevatten twee duidelijk verschillende delen: de commissie en de definitieve seponering van de zaak. Uw antwoord laat de deuren wijdopen voor beide kwesties. Wij willen geloven dat het in hoofdzaak het bedrag van de commissie is dat u overdreven vindt. Laten wij dus met dit interessante punt beginnen.

Onze aanspraken komen nauwelijks aan 5 procent van de waarde van de twee panelen afzonderlijk genomen. Maar hun waarde wordt meer dan dubbel zo hoog door het feit dat ze bij hun terugkeer het veelluik tot een ongeëvenaard geheel zouden vervolledigen. Ook mag u niet uit het oog verliezen dat de voorwerpen waarover wij onderhandelen de kostbaarste zaken vormen die op de wereld bestaan. En het is duidelijk dat wij ons allen rekenschap moeten geven van die waarheid. En in naam van die zaak hebben wij de vaste overtuiging dat u ertoe zult worden gebracht onze voorwaarden integraal te aanvaarden, want ze zijn helemaal niet overdreven in vergelijking met wat wij u zullen aanbieden. Wij kunnen dus helemaal niet terugkomen op het voorgestelde bedrag en u zult groot ongelijk hebben langer uitvluchten te zoeken.

Wij stellen er prijs op dat niets ooit uitlekt van onze betrekkingen, mensenlevens kunnen ervan afhangen en het is daarom dat wij de definitieve seponering van de zaak eisen.

Wij zullen nog vijf dagen wachten, om uw te lezen op onze eerste voorstellen (sic). Eenmaal deze termijn gepasseerd, zullen wij ons verplicht zien – ten einde (u) aan te zetten tot de oplossing – u enkele afgesneden stukken van de Sint-Jan te zenden en wij zullen nadien zien of er aanleiding is om in die zin voort te gaan. Er is geen andere uitweg.

Wij durven u dus aan te sporen opnieuw stappen te doen bij de bevoegde autoriteiten. Er zal hen moeten worden aangetoond dat wij alleen een vlugge en definitieve oplossing aanbrengen voor de grootste zaak die bekend is in dit genre en dit tegen een in verhouding minieme commissie.

Wij wachten op uw antwoord langs dezelfde weg, binnen vijf dagen vanaf de ontvangst van deze brief.

Ondertussen bieden wij u, Monseigneur, de verzekering van onze bijzondere hoogachting aan.

D.U.A.


(tweede blad)

Monseigneur,

Aangezien wij deze zaak bijna als een commerciële zaak behandelen, en de voorwerpen inderdaad aan derden toebehoren, is het maar rechtvaardig u een bonus toe te kennen , een commissie van 5 procent, waarover u vrij kunt beschikken.

D.U.A.

Sinds 8 september 2010 leggen we enkele maanden lang de afpersingsbrieven van D.U.A. onder de loep. Het volgende bericht verschijnt op 22 september 2010.


woensdag 26 mei 2010

Teken van leven in het Noordstation

Enkele foto's van het vroegere Noordstation in Brussel. Ze dateren uit 1935, kort na een dramatische ontwikkeling in de diefstalzaak van De Rechtvaardige Rechters.

Hier wandelde op maandag 28 mei 1934 een man binnen met een groot pak waarin een soort plank leek te zitten. Hij liet het om 8 uur 's morgens achter in het bagagedepot. 's Anderendaags ontving de Gentse bisschop een biljet van datzelfde bagagedepot. De gerechtelijke politie haalde het pak op. Toen ze het zwarte wasdoek en papier verwijderde, trof ze Johannes de Doper aan, het eerste gestolen paneel.

De stationsbediende die het pak in het ontvangst had genomen, beschreef de man die het had afgegeven als volgt: "ongeveer 50 jaar; kleine gestalte; middelmatige corpulentie; zwart haar; snor et spits toelopende sik die grijzend zijn; had uiterlijk van een welgestelde heer; sprak Frans."

Was het Arsène Goedertier zelf die hier die maandagochtend was binnengestapt? Die was 57 jaar, niet groot, zat altijd keurig in het pak en sprak zowel Nederlands als Frans. Hij droeg een snor. Alleen die sik klopt niet. De stationsbediende werd pas twee dagen later verhoord. Vergist hij zich? Of was hier een handlanger aan het werk?
















































Volgende bericht op woensdag 2 juni 2010.